ADRIAAN DEURLOO

KORT
Op 30 april 1940 geboren in Winterswijk. Verhuisd naar Amsterdam in 1947. Studeerde van 1959 tot 1967 geschiedenis en Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1964 tot 2001 werkzaam in het voortgezet onderwijs, eerst als leraar, sinds 1983 als conrector en sinds 1989 als rector. Twee maal getrouwd geweest. Drie kinderen uit het eerste huwelijk. Sinds 2002 alleen wonend.



WAT LANGER

Familie
In 1373 werd het water de Deurloo, even onder de stad Tholen, ingepolderd en ontstond een poldertje van 74 bunder dat, ondanks moeilijke tijden, nog steeds bestaat.

Sinds de zestiende eeuw vinden we in de Thoolse archieven mensen met de achternaam Deurloo, naar alle waarschijnlijkheid ontstaan door een niet meer te achterhalen band met het ingepolderde stukje land.

Van deze eerste Deurloo’s loopt een duidelijke lijn naar Jacobus Deurloo, mijn overgrootvader die van 1829 tot 1897 leefde. Hij was landarbeider, maar kon zich opwerken tot kleine boer. Omdat hij de laatste op het eiland Tholen was die met ossen ploegde, stond hij bekend als Ko d’n Os.

Mijn vader werd in Poortvliet “achter Slikkot” geboren. Zijn moeder werd een half jaar na zijn geboorte weduwe. Ze wist zich met haar acht kinderen door de moeilijkheden heen te slaan en een “ostie” (hofstede) te verwerven, die in status heel wat meer was dan het “spulletje” waar ze vandaan kwam.

Mijn vader was in de wieg gelegd voor onderwijzer, maar door het straffe rechtvaardigheidsgevoel van zijn moeder kreeg hij niet de kans na de lagere school verder te studeren. Pas veel later kon hij het door hem niet geliefde boerenbedrijf ontvluchten. Hij werd commies aan de grens. Een basis om met mijn moeder te trouwen. De eerste standplaats was Valkenswaard. Daar werd mijn broer geboren. De tweede was Winterswijk: mijn geboorteplaats.


Jeugd
Tien dagen na mijn geboorte viel Duitsland ons land binnen. Mijn eerste herinneringen kan ik dan ook dateren aan de hand van oorlogsgebeurtenissen. Overigens hebben wij – behalve door inkwartiering van Duitse soldaten – van die oorlog weinig last gehad. Op mijn vijfde verjaardag – de Achterhoek was net bevrijd – pleegde Hitler zelfmoord. een feit dat toen voor ons onopgemerkt bleef.

Na de oorlog werd mijn vader overgeplaatst naar Amsterdam. In de zomer van 1947 verhuisden we naar de stad waar ik sindsdien woon.

We kwamen te wonen in de Rivierenbuurt, een passende omgeving voor het middenorthodox Hervormde middenstandsgezin dat we vormden. Net zoals mijn broer ging ik eerst naar de christelijk-nationale lagere school en daarna naar het Hervormd Lyceum.

Niet onbegrijpelijk voor een kind dat opgevoed is met oorlogsbeelden in het filmjournaal en de geïllustreerde bladen, wilde ik eerst beroepsmilitair worden. Uniformen vond ik prachtig en in de krant las je de kritiekloze verslagen over wat “onze jongens” in Indonesië presteerden. In mijn puberteit werd dat anders. Het voorbeeld van mijn broer, die vier jaar ouder is, heeft daarbij een heel belangrijke rol gespeeld. Daarnaast las ik alles wat los en vast was. Die activiteit is zeker gestimuleerd doordat mijn vader ons als kinderen geregeld voorlas. Bovendien bezaten de beste kennissen van mijn ouders een Winkler Prins van twee delen. Die spelde ik en verwierf daardoor een feitenkennis die zijn vruchten afwierp.

In de eerste klassen van de lagere school was ik een grijze en dus zeer middelmatige muis. In de vierde klas kreeg je geschiedenis en ik werd door de onderwijzer ontdekt. Elke leerling verdient ontdekt te worden door een leerkracht. Maar ja, zo werkt het meestal niet. Voor mij dus wel. Sindsdien hoorde ik automatisch tot de beste leerlingen - en dat voor alle vakken!

In de tweede klas van de middelbare school stokte trouwens deze glanscarrière toen bij mij de puberteit op alle fronten toesloeg. Ik zat ook in een klas waar de meeste leerlingen aan dat euvel leden. De resultaten waren catastrofaal. Veel van mijn klasgenoten verdwenen definitief van school. Ik bleef zitten en begon aan een wat minder glanzend, maar uiteindelijk succesvol schoolvervolg.

In die klas begon ik met het maken van gedichten, een bezigheid die ik sindsdien – zij het met wisselende frequentie – heb volgehouden.

Na mijn eindexamen – ik zwoer dat ik nooit meer op die school zou terugkomen – aarzelde ik tussen de studie Nederlands of die van Geschiedenis. Het werd het laatste met bijvak Nederlands. Een terechte keus gezien mijn politieke belangstelling.


Politiek
Mijn puberteit had de knop van rechts naar links gedraaid en ik was zo gelukkig een goede mentor te vinden (die zichzelf overigens nooit bewust geweest is van zijn rol). Dat was de onverbeterlijke anarchist Anton Constandse die door het met recht liberale Algemeen Handelsblad tot chef-redacteur buitenland was benoemd. Midden in de benepen Koude Oorlogssfeer van de jaren vijftig las je zijn commentaren op het heimelijke Amerikaanse optreden in Guatemala (1954), het verderfelijke Suez-avontuur (1956) en de ontluisterende oorlog in Algerije. Er was even de droom van een alternatief tussen Oost en West in Hongarije. Maar dat was snel afgelopen. Bleef je verzet tegen wat je niet wilde: dictatuur, kolonialisme, marteling. Waar je vóór was, was minder goed onder woorden te brengen. Je wilde je graag aansluiten bij een politieke partij, maar geen enkele leek geschikt.

Als student vond ik een thuis bij Politeia, een Gideonsbende van een paar honderd studenten, die heel vaak gelijk had, maar het nooit kreeg en die zich verloor in eindeloze discussies over resoluties en strijd tegen mensen “met een verkeerd standpunt” . Pas later kreeg je te horen dat Trotskisten een ragfijn politiek spel met deze studentenclub hadden willen spelen. Maar gelukkig waren het kinderen in het kwaad, die bovendien over genoeg gevoel voor humor beschikten om dat later zelf ook in te zien. Humor was er in Politeia: heel veel. Dankzij de overvloedig aanwezige Joodse studenten, overlevende of nakomeling van de Vernietiging, die juist vanwege die persoonlijke verbondenheid, grappen moesten blijven maken.

Ik was daarin een buitenstaander, maar sinds La Nuit et le Brouillard van Resnais werd het een beslissend feit in mijn leven. D? bron voor politiek handelen. Daarom greep ik ook de kans om leraar te worden aan. Na alle getheoretiseer in Politeia, dat van mij een principiële opportunist heeft gemaakt, was dit de mogelijkheid om praktisch bezig te zijn.

Door een toeval kwam ik weer op mijn eigen middelbare school terug, door een samenloop van omstandigheden bleef ik er na mijn doctoraal als leraar geschiedenis en Nederlands. Leraar leerde ik zijn met vallen en opstaan. Mijn politieke boodschap hield me op de been. Uiteindelijk heb ik het gered.


Persoonlijke ontwikkelingen
Nog tijdens mijn studie was ik getrouwd. Het was een goed huwelijk. Van mijn schoonfamilie vonden sommigen mijn linkse ideeën maar niks, maar ze waren allen gul, warm en ruimhartig. Het was fantastisch om met de kinderen die er al snel kwamen, naar het schoonouderlijk huis te komen.

En toen kwam ik Pauline tegen. Eerst probeerde ik het allemaal goed te plooien. We waren toch in de jaren zeventig! Het moest toch kunnen?!

Maar het bleek dat het niet kon. Er brak een tijd aan van grote verwarring, van leugens en bedrog, van moeten kiezen, maar niet kunnen, van voortdurende schuldgevoelens en van veel onterecht zelfbeklag.

Na zeventien jaar heb ik tenslotte gekozen. De belangrijkste beslissing van mijn leven. En ik ben er op een onvoorstelbare manier voor beloond. Pauline was de vrouw van mijn leven. Sterker: ze is het nog steeds, hoe gelukkig ik ook ben met de levensgezellin op afstand die ik weer gevonden heb.


De jaren zeventig waren ook de strijd om het doel van het onderwijs. Tegenover een schoolleiding die op de winkel paste, kwam een groep jonge honden die er echt wat van wilden maken. Het leidde ook tot de bereidheid verantwoordelijkheid te willen dragen. Zo kwam ik tenslotte in de schoolleiding terecht en werd ik in 1989 rector van de school die ik dertig jaar daarvoor voor altijd dacht te verlaten.

Ik ben niet in de wieg gelegd voor manager. Als rector moest ik veel leren. Dat heb ik ook gedaan en ondanks heel wat spanningen heb ik het met plezier gedaan. Maar kijk je in mijn hart, dan zeg ik: ik ben meer een leraar. Die pubers halen weliswaar het bloed onder je nagels vandaan, maar je weet dat ze in de groei zitten. Met volwassenen heb ik veel meer moeite, behalve als ze in hun hart puber zijn gebleven. Dan wordt het weer spannend en is er van alles mogelijk!

In juli 2001 nam ik afscheid als rector om tijd te krijgen voor mijn literaire ambities en om samen met Pauline allerlei dingen te gaan ondernemen. In september daaropvolgend werd bij haar longkanker geconstateerd. Wij besloten om de tijd die ons restte, zo goed mogelijk te gebruiken. Dat hebben we dan ook gedaan. In augustus 2002 stierf Pauline.


Inspiratie
Ik moest verder. Dat kon ik dankzij het woord. Ook dankzij het bijbelse woord.

Dat laatste is mij van kindsbeen aan vertrouwd. Als puber vervreemdde ik ervan. Sartre, toevallig op dezelfde dag geboren als mijn vader waar ik het in die tijd steeds maar mee aan de stok had, werd mijn geestelijke vader.

Maar atheïsme is een uitstekende ingang voor de bijbel. Dat heb ik dankzij mijn broer, die theoloog werd, geleerd. Ernst Bloch, die ik als student mocht ontmoeten, schreef al: Nur ein Atheist kann ein guter Christ sein. Het gaat erom je van de goden, van de machten, van de demonen te bevrijden. De tien geboden blijken daarbij een uitstekende wegwijzer. Sinds het midden van de jaren tachtig ga ik praktisch elke zondag naar de kerk. In 1992 deed ik belijdenis en in hetzelfde jaar werd ik voorzitter van de kerkeraad en dus ouderling. Sindsdien ben ik op enigerlei wijze op kerkelijk terrein actief. De laatste tijd vooral binnen het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie.

Poëzie
Vanaf mijn dertiende heb ik gedichten gemaakt. Bijna altijd vrij, mij niet vastleggend in van tevoren bepaalde vormen. Als ik dat wel deed, ontstond er iets houterigs.

Vanaf het midden van de jaren tachtig ging ik steeds metrischer schrijven en in 1988 ontdekte ik het rijm. Sindsdien gebruik ik die middelen vrijwel altijd en ben verbaasd dat anderen dat zo weinig doen. Er is al genoeg ongerijmds (en onmatigs) in het leven.

Je kunt er namelijk zo veel mee! Daarom gebruik ik ze graag. Een gedicht hoeft natuurlijk niet te rijmen om goed te zijn. Maar voor elk gedicht is de vorm wel de inhoud.

Van mijn persoonlijk wedervaren is veel in mijn voortbrengselen terug te vinden. Heel direct geldt dat voor September, Als Het Ware en De Binnenweg in de jaren tachtig en voor de gedichten van 2001 en 2002 en het reisverslag De Reis Van Ons Leven. Buurman Bruin is een poging om mijn moeder naar het leven te tekenen.
in 2014 heb ik mijn puberkonflikt met mijn vader beschreven in Een zoon begraaft zijn vader. Ik hoop dat ik hem daarmee recht heb gedaan. In december 2016 overleed mijn oudste zoon Ruben. Als nagedachtenis aan hem ben ik begonnen met Een vader begraaft zijn zoon.

De Rijmerij

Vanaf 2001 bestaat de Rijmerij als idee. Vanaf 2003 als bedrijf. In 2006 werd het als zodanig ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Die officiele status ben ik overigens al lang weer kwijt. Maar ik blijf graag voldoen aan opdrachten. Een dubbelzinnige onderneming. Wellicht nog zinniger dan dat. De zin van dit menselijk bedrijf is de zin in mijn leven. Het gaat onder meer om de vraag hoe je Gods goedheid met deze wereld kan rijmen.

^boven
 

  Website gebouwd door intronet